Om een einde te maken aan de aanvallen van Duitse duikboten en torpedoboten in het Kanaal vanuit de havens van Oostende en Zeebrugge, besloot admiraal Keyes deze havens te blokkeren, uit te schakelen.

Wegens de weersomstandigheden, kon de raid op 2 april niet doorgaan. Vastberaden, besloot admiraal Keyes een nieuwe aanval te plannen voor de nacht van 22 op 23 april 1918, op St Georges' day.

De admiraal heeft vier verouderde kruisers uitgekozen : HMS Vindictive, HMS Thetis, HMS Intrepid en HMS Iphigenia : de eerste moest dienen als aanvalsvaartuig voor de Royal Marines en de laatste drie dienden als blokschepen, geladen met betonblokken. Om de Vindictive te beschermen, die de zeedijk van de haven van Zeebrugge moest enteren, werden twee ferries uit Liverpool ( Iris II en Daffodil) ingezet om als begeleidingsschepen te fungeren en om de Britse mariniers terug naar Groot-Brittannië te vervoeren. Twee afgedankte duikboten moesten de viadukt tot ontploffing brengen om te beletten dat de Duitse infanterie vanuit het vaste land de mariniers zou aanvallen. Andere schepen dienden om een rookgordijn te maken en nog anderen moesten de kleine vloot tegen duikbootaanvallen beschermen. In totaal waren 75 schepen voorzien voor de raid op Zeebrugge.

De schepen verlieten hun respectievelijke havens in de namiddag van 22 april 1918 met de hoop na zonsondergang voor Zeebrugge aan te komen. Eén van de snelle torpedoboten die een rookgordijn moest maken, kreeg motorpech. Alle schepen vaarden dus niet achter een beschermende rookgordijn. Desondanks werd geen enkel schip van het konvooi opgemerkt, zelfs wanneer de kanoneerboten de Belgische kust beschoten.

Om 23 u 56, naderde de HMS Vindictive de zeedijk tegen hoge snelheid. De Duitsers schoten enkele lichtgranaten en ontdekten toen het aanvalsvaartuig. Ondanks de beschietingen, die het scheepsgeschut bijna volledig uitschakelde, kon het schip zich vastmaken aan de zeedijk, maar de meeste loopplanken waren vernield. De mariniers ontscheepten en verrasten de Duitse verdedigers. Tijdens de gevechten zonken de drie afgedankte kruisers aan de monding van het kanaal naar Brugge. Eén van de twee duikboten kwam heelhuids aan in de haven van Zeebrugge en bracht het viadukt tot ontploffing.

De opdracht was geen compleet succes, want al zonken er twee kruisers op de goede plek, de Duitsers konden een nieuwe vaargeul vrij maken om lichte vaartuigen door te laten. Volgens de Geallieerde propaganda was de raid het bewijs van de vastberadenheid en van de moed van de Britse strijdkrachten : 176 mariniers en zeelui kwamen om, 412 werden gewond en 49 werden vermist. De Duitsers verloren amper 24 soldaten.

Keizer Wilhelm II heeft drie keer Brugge, hoofdplaats van het Marinegebiet Flandern en oorlogshaven voor kustduikboten (type UB) bezocht: de eerste keer in het jaar 1916, toen hij een lang bezoek bracht aan de stad Brugge en aan de haven van Zeebrugge. Later kwam hij nog in 1917 en op 21 april 1918 langs. Hij bezocht het hoofdkwartier van het Marinekorps te Brugge, in de St-Jorisstraat en de kazerne van de mariniers. Men mag niet vergeten dat sinds hij keizer is, hij altijd geijverd heeft voor een sterke Duitse oorlogsvloot om de Britse Royal Navy te evenaren of zelfs te overtreffen (de toekomst van Duitsland ligt op zee)

De jachteenheid van von Richthofen, Jasta 11, stijgt op op zondag morgen 21 april 1918 om Sopwith Camel jachtvliegtuigen van Squadron 209, op gewapend patroelje boven de Somme, te onderscheppen. Hij zou als gevolg van het luchtgevecht verdwaald reaakt zijn en over de Britse verdedigingsslinies gevlogen hebben. Toen hij een jachtvliegtuig boven de Somme-vallei achtervolgde, vloog hij laag over een gebied bezet door Australische troepen, waar hij de kans liep neergeschoten te worden. De soldaten die hem zagen aankomen, hebben hem met geweren en mitrailleurs bekogeld. Op het zelfde ogenblik werd hij opgemerkt door een Canadees jachtpiloot, Captain Arthur "Roy" Brown, die hem onmiddellijk achtervolgde.  De Canadese jachtpiloot beweert dat hij de Duitser heeft neergeschoten. Het verslag van de 11de Australische brigade geeft meer details : een inlichtingenofficier heeft het ratelen van een mitrailleur in de verte gehoord, in de richting van het zuid-oostelijk deel van het woud van Vaux. Hij verklaart dat het in het rood geschilderd vliegtuig heel laag boven de grond vloog en buiten controle was en plotseling naar de grond dook (langs de weg van Corbie naar Bray). Een majoor van een artillerie-eenheid beweert op zijn beurt dat zijn mannen met een mitrailleur de Duitser hebben neergeschoten. Wie moeten wij nu geloven? Na honderd jaar weten wij nog niet wie de aas met 80 luchtoverwinningen met een kogel door het hart heeft gedood. Op het ogenblik van de feiten, hebben de eerste soldaten ter plaatse aangekomen stukken van de romp meegenomen als trofeeën en hierdoor hebben zij ieder forensisch onderzoek onmogelijk gemaakt. 

Baron Manfred von Richthofen werd met alle militaire eer door de Britten begraven. Het commando van de jachteenheid werd door de bekende Duitse jachtpiloot met 22 luchtzegens op zijn naam, Herman Goering, overgenompen.  Later zou hij de rechterarm van Adolf Hitler en chef van de Luftwaffe worden.

Een Duitse jachteenheid draagt nog steeds zijn naam.

 

Als voorbereiding op een Duits offensief, heeft het Belgisch leger achter het front alles klaar gemaakt voor de logistiek : aanleg van wegen, bouw van barakken, van veldhospitalen, van schuilplaatsen, enz. Hij heeft zelfs moeilijk te verdedigen plekken, zoals Reigersvliet en Oud-Stuivekenskerke, onder water gezet.

Aangezien het Belgisch leger tussen de Noordzee en Ieper post gevatten had, werd het een doelwit voor het Duitse leger op weg naar de Kanaalhavens, onder andere Duinkerke, om de Geallieërde legers langs achter aan te vallen. In het begin van het Duits offensief, had het Koningspaar gedacht De Panne te verlaten voor Hardelot, een kustplaatsje in Noord-Frankrijk; de koffers waren reeds ingepakt. Doch de Koning is bij zijn troepen gebleven. Op 10 april, heeft hij generaal Cyriaque C.V. Gillain, als zijn stafchef benoemd ter vervanging van generaal L. Ruquoy, die de strategische visie van de Koning niet deelde. De Belgische regering in Le Havre heeft protest geuit, maar de Koning had zijn beslissing genomen.

Toen het Britse front dreigde in één te storten bij gebrek aan versterkingen, heeft opperbevelhebber Foch aan Koning Albert I gevraagd of hij bereid was zijn reserve eenheden vrij te geven. Albert antwoordde dat volgens de Belgische Grondwet het veldleger onder bevel stond van de Koning en van hem alléén. Uiteindelijk, heeft het Belgisch leger op 14 april zijn verdedigingslijn naar het zuiden (Ieper) verlengd, wat als gevolg had dat enkele Britse eenheden vrij kwamen.

Op 17 april 1918, vallen de Duitsers langs het Noord-Oosten (richting Poperinge) en langs het Zuiden, om Ieper in een tang te nemen, maar de rechter flank botste op hevig verzet van de Belgen bij Merkem en ten westen van Langemark. Zes Belgische bataljons van de 3de en 4de infanterie divisies stonden tegenover 15 Duitse bataljons. De 4de divisie hield stand, terwijl de 3de gebied verloor en zich ten zuiden van Kippe verschanste. Na een bloedige baïonetaanval herwonnen de Belgen het verloren terrein en maakten zelfs 800 krijgsgevangenen. Het was een schitterende overwinning voor het Belgisch leger.

De Koning had de militaire steun van Groot-Britannië brood nodig en daarom heeft hij de Koningin naar Groot-Britannië gezonden om Lord Curzon te overhalen daarover te spreken met de Britse Eerste Minister. Toen de Britse regering het strategisch belang van de Belgische kust en van het Kanaal inzag, hebben de Britten hun steun aan het Belgisch leger verhoogd. Door de terugtrekking van de Britse eenheden op zijn rechter flank, heeft het Belgisch leger zijn verdedigingslinie moeten verlengen .

Verzekerd van de Franse steun, heeft het Belgisch leger zijn verdedigingslinie achter het kanaal van Veurne-Lo-Fintele en de bovenloop van de Ijzer gereorganiseerd. Ten noorden waren de Belgische soldaten goed beschermd achter de kanalen van Nieuwpoort-Veurne-Duinkerke en Veurne-Bergues en (indien nodig) het overstromingsgebied rond Duinkerke. Dankzij deze nieuwe verdedigingslijn, bleef het Belgisch leger in contact met het Franse leger in het Zuiden.

 

De tweede faze van het Lente-offensief van generaal Ludendorff (operatie Georgette) of Slag aan de Leie of ook nog vierde slag van Ieper, begon op 7 april 1918 met een hevige beschieting. Het Duitse leger had als doel de achterhoede van het Britse leger te bedreigen en zich meester te maken van Hazebrouck en van de "Vlaamse bergen" (Kemmelberg, Rode Berg, Zwarte Berg, Vidaigne en Kattenberg), van Ieper en van de Kanaalhavens (Duinkerke, Boulogne en Calais), die als bevoorradingshavens gebruikt werden door de Britten. Na twee dagen hevige beschietingen, vallen de Sturmtruppen de verdedigingslinies van het Britse leger tussen de Leie en het kanaal van La Bassée aan. Het Zesde Duitse leger valt het Eerste Britse leger van generaal Horne en de Tweede Portugese divisie, allebei uitgeput, aan op een front van 19 km breed. De Portugese eenheden waren over het front verspreid en werden snel uitgeschakeld. De Britten bieden weerstand, maar ze zijn toch verplicht om zich achter de lijn Mezen-Wijtschate dekking te zoeken. Givenchy, uiterste punt van de frontlinie, valt niet in handen van de Duitsers dankzij het hardnekkig verzet van een Britse legereenheid. Béthune en de steenkoolmijnen zijn gered. Het Tweede Britse leger van generaal Plumer moet zich eveneens terug trekken op de lijn Mezen-Wijtschate.

Toen Maarschalk Haig op 11 april gewaar werd dat de nederlaag nabij was, heeft hij een bevel uitgevaardigd (backs to the wall) waarin hij aan alle Britse soldaten en officieren verbied nog verder terug te trekken want zij staan met hun rug tegen de muur; de Britten moeten hardnekkiog stand houden om de Duitsers op het vasteland tegen te houden. De Duitsers rukken verder op en nemen op 11 en 12 april Armentières, Merville, Estraires, Neuf-Berquin, Le Doulieu, Steenwerck en Nieppe in. Op 15 april, bezetten de Duitsers Wijtschate, Meteren en Bailleul. Sinds het begin van het offensief, hebben zij een sprong van 25 km gemaakt. In het Noorden hebben de Britten, op 15 april, een gedeelte van de "Ypres salient" verlaten. Heel wat Britse soldaten zijn tijdens deze slag gesneuveld of gevangen genomen. De bevoorradingspool Hazebrouck wordt direct bedreigd. Maar desondanks, komen er nog versterkingen via het station van Hazebrouck aan : Eerste Australische Divisie en vijf Franse divisies die Foch beloofd had.

Opgezweept door hun overwinningen, besluiten de Duitsers verder dan Armentières op te rukken. Achter Armentières ligt Hazebrouck, belangrijk verkeersknooppunt voor de Britten en verder nog de kanaalhavens Duinkerke en Kales. Zij droomden van de inname van Ieper en de uitschakeling van het Belgisch leger en van het Tweede Britse leger van Plumer. Zij hebben eerst geprobeerd de "Vlaamse bergen" langs het zuid-westen voorbij te steken, daarna via het noord-oosten en tenslotte via het oosten, maar telkens vielen zij op hevige weerstand van de Fransen, de Belgen en de Britten. Ten einde raad, beslissen de Duitsers de Kemmelberg met brutaal geweld te veroveren...
 

Op aandringen van de afgezette Finse president (Pehr Svinhufvud), sturen de Duitsers troepen naar Finland. Op 3 april 1918, lanceert de Baltische divisie onder bevel van generaal Rüdiger von der Goltz het hoofdoffensief in de richting van Hanko, ten westen van Helsinki. Op 7 april, valt Loviisa, op de zuid-oostelijke kust, in handen van de Duitsers. Op 12 en 13 april, bezetten zij de stad Helsinki (Helsingfors). Vervolgens stoten zij door tot het noordelijk deel van het gebied door de Bolsjewieken bezet: de laatste rode stad Hämeenlinna wordt op 26 april 1918 ingenomen.

Op 5 maart 1918, zet een Duits eskader troepen aan wal op de eilandengroep van Aland.