Op 14 juli 1918, Franse Nationale Feestdag, wordt een troepenschouwing gehouden van alle aanwezige Geallieerde troepen, die in de volgende maanden aan de zegevierende offensieven gaan deelnemen. Op dat ogenblik ligt Parijs nog steeds in de vuurlinie van het Duitse lange afstandsgeschut. Deze troepenschouwinh geeft weer moed en hoop aan de aanwezige Franse bevolking.

Griekse troepen.

Generaal Ludendorff opent zijn derde offensief van 1918 op het westfront. Het is een afleidingsaanval op de Fransen die de Chemin des Dames bij de Aisne bezetten. De Duitse generaal wil verhinderen dat de Fransen versterkingen sturen naar de Britten in Noord-Frankrijk, waar hij opnieuw een aanval wil voorbereiden.

Het offensief wordt aangevoerd door het 7de en het 1ste Duitse leger, respectievelijk onder bevel van generaal Max von Boehn en generaal Bruno von Mudra : veertig Duitse divisies staan tegenover het zesde Franse leger bestaande uit 9 Franse et 3 Britse divisies.

Het Duits offensief wordt ingeleid door een zware beschieting en gevolgd door een aanval van 7 Duitse infanterie divisies over een front van 16 km breed. De Duitsers veroveren meteen de Chemin des Dames en rukken op naar de Aisne, waar zij verschillende onbeschadigde bruggen bezetten. Tegen het einde van de dag, hebben zij 16 km terrein gewonnen! Hoewel het offensief qua omvang beperkt blijft, beslist het opperbevel door te stoten tot aan Parijs, op 128 km.

De bevelhebber van het American Expeditionary Force stuurt twee divisies ter versterking aan de Fransen. Op de 30ste komen ze in actie, wanneer de Duitsers de Marne bedreigen.

Op 28 mei, vallen de Amerikaanse soldaten van het 1ste US Div. voor het eerst de Duitsers aan op de Aisne, rond het dorp Cantigny, ten oosten van Montdidier. Het dorp wordt door de Amerikanen ingenomen  en weren tijdens de volgende dagen een reeks Duitse tegenaanvallen. De Amerikanen verliezen 1600 soldaten waarvan 199 doden.

Op 4 juni 1918, blaast generaal Ludendorff zijn simultane offensieven Blücher en Yorck af. Hoewel zijn aanvalstroepen slechts maximaal 32 km diep moesten oprukken over een afstand van 48 km, werden de Duitse legers meer en meer door Franse en Amerikaanse tegenaanvallen bedreigd. De Duitsers hebben 125.000 man verloren, maar generaal Ludendorff plant reeds zijn  volgend offensief.

Aangezien de eerste raid op Oostende niet de gehoopte resultaten geboekt had, besloot admiraal Keyes een tweede aanval op de door de Duitsers bezette Belgische haven te wagen. Een groot deel van de opgetrommelde vrijwilligers hadden reeds aan de vorige raid meegedaan. De twee uitgekozen schepen om de vaargeul te blokkeren waren de verouderde kruisers HMS Sappho en de oudgediende HMS Vindictive. Zij zouden door vier kanoneerboten, acht destroyers en vijf speedboten begeleid en beschermd worden.

De operatie zou s'nachts gebeuren. De flotilje zou achter een rookgordijn varen en onder een luchtbombardement, een beschieting vanuit zee en vanop het land (Ieper) de haven binnen glippen. De twee afgedankte kruisers moesten zich in de vaargeul doen zinken om de vaargeul onbruikbaar te maken en de bemanning zou zich in veiligheid stellen in de speedboten.

De raid was voorzien voor de nacht van 8 op 9 mei 1918. De kleine vloot verzamelde zich in de haven van Duinkerken. De schepen verlieten de haven na het vallen van de nacht en de problemen doken heel vlug op. Enkele minuten na middernacht, ontplofte één van de ketels van de HMS Sappho, die onmiddellijk rechtsomkeer maakte. De bevelhebber besloot dan toch maar verder te varen. Zij kwamen rond 1u30 in de omgeving van  het doel. De aanval begon met een luchtbombardement; Britse bommenwerpers dropten brandbommen op de haven en speedboten schoten torpedo's af op de mitailleursposten ter hoogte van de ingang van het kanaal. Om deze keer niet in de valstrik van de Duitsers te vallen, besloot de kapitein het land te volgen in plaats van de boeien. Spijtig genoeg voor hem, viel er die avond een dichte mist op de haven van Oostende. Hij heeft tot drie keer toe de haveningang moeten zoeken. Toen de HMS Vindictive eindelijk de vaargeul invoer, werd de commandobrug door een granaat getroffen en de kapitein was op slag dood. Een schroef raakte knel en het schip raakte onbestuurbaar en zette zich vast op een zandbank waar de bemanning de Vindictive onschadelijk maakte. Uiteindelijk heeft het schip de vaargeul kunnen belemmeren, want nu konden slechts kleine boten de haven in- en uitvaren.

De Roemeense koning heeft de kant van de Entente gekozen, hierdoor kon hij rekenen op de steun van Rusland en van Frankrijk. Na de wapenstilstand tussen Rusland en Duitsland in december 1917, was het gedaan met de Russische militaire steun, hij kon nog rekenen op de steun van de Franse missie. Op dat ogenblik, was 2/3 van het koninkrijk in handen van de Centrale Mogendheden, sinds eind 1916. Deze laatsten maakten er gebruik van om het nog vrije Roemenië onder druk te zetten om van kamp te veranderen en de Fransen buiten te wippen. Oostenrijk-Hongarije trachtte koning Ferdinand over te halen vrede te sluiten; het is niet nodig dat hij van zijn troon afziet, hij hoeft gewoon van eerste minister te veranderen, generaal Alexander Averescu is de aangewezen kandidaat. Na de Wapenstilstand tussen de Bolsjewieken en de Centrale Mogendheden in december 1917, voelt koning Ferdinand dat hij de volgende op de lijst is. De Duitsers tonen veel interesse voor de ontginning van petroleum, alhoewel de bruto opbrengst niet erg hoog is en voor de overvloed aan landbouwproducten in Roemenië. Duitse bedrijven hebben reeds Roemeense bedrijven die met de Bondgenoten handel dreven opgekocht. De Roemeense spoorwegen zouden rechtsteeks onder controle komen te staan van het Duitse Rijk voor het vervoeren van soldaten en materieel. De haven van Constantza zou onder Duitse bezetting blijven. Uiteindelijk werd Roemenië een "bijhuis" van Duitsland. Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije hadden minder economische interesses in Roemenië, zij droomden van hun eigen territorium te vergroten ten nadele van het Koninkrijk Roemenië: Bulgarije eiste Dobruça en Oostenrijk-Hongarije Valachië. De Kaiser wantrouwde de Roemenen omdat zij nog steeds sympathiën hadden voor de Fransen, daarom wou hij het Koninkrijk omvormen tot een Duitse kolonie of althans Roemenië onder Duitse voogdij plaatsen.

Op 27 februari 1918, krijgen de Roemenen de mes op de keel, zij krijgen een ultimatum voorgeschoteld door de Centrale Mogendheden, zij worden verplicht te onderhandelen. Op 5 maart, tekent koning Ferdinand de voorbepalingen van het vredesverdrag te Buftea, die ietwat milder voorkomen dan verwacht: Dobruça wordt niet helemaal door de Bulgaren ingepalmd en de annexatie van gebieden door de Oostenrijkers gebeurt langzaam. Op economisch gebied, verandert er niets! De Roemeense afgevaardigden bieden weerstand en tonen dat zij harde onderhandelaars zijn. Er blijkt een breuk te komen in de relaties tussen de Centrale Mogendheden tijdens de onderhandelingen met Roemenië : De Kaiser wou Roemenië onder voogdij van Duitsland plaatsen, maar zonder het land te verzwakken; de Oostenrijkers daarentegen eisen gebieden op, maar dan met afgezwakte vredeseisen. De Duitsers en de Bulgaren zijn het eveneens oneens geworden.

Het vredesverdrag van Boekarest werd op 7 mei 1918 door het Koninkrijk Roemenië en zijn overwinnaars getekend na de wapenstilstand van 9 december 1917. De regering van Koning Ferdinand heeft alle politieke en economische eisen van het Duitse Rijk en van Oostenrijk-Hongarije aanvaard. De politieke en territoriale clausules waren reeds op 26 maart door de Roemeense onderhandelaars aangenomen. Het territoriaal verlies werd in grote mate te niet gedaan door de unie van de Democratische republiek Moldavië met het Koninkrijk Roemenië, wat een gebied van 44.422 km² oplevert. Dat viel goed uit voor Roemenië; een land dat militaire overwonnen is wordt groter qua territorium. Het politiek aspect van het verdrag was niet belangrijk voor de Duitsers; zij hechtten enkel belang aan de Duitse economische voogdij op Roemenië. Desondanks, werd een verduitsingsbeleid ingevoerd ten nadele van de Roemeense Katholieke clerus. De Centrale Mogendheden kregen een geringe controle op de Roemeense transportmiddelen. Op economisch gebied hebben de bezetters het recht op controle op de Roemeense munt. Oostenrijk-Hongarije, waar de hongersnood drijgt, krijgt landbouwproducten, waaronder tarwe, maar in kleine hoeveelheden.

Het valt op te merken dat het verdrag nooit werd geratificeerd door de oorlogvoerende landen. Daarbij had het verdrag een levensduur van slechts zes maanden. Op 31 oktober 1918, wees Roemenië het verdesverdrag af en hernam de strijd tegen de Duitserrs en de Oostenrijkers; de Franse militaire missie (Berthelot) kwam opnieuw voor de dag; zij was in feite nooit ver weg geweest (Modavië).

Zowel voor de Geallieerden als voor de Duitsers was de Kemmelberg van strategisch belang; de inname of de verdediging van Ieper en de weg naar de zeehavens aan het Kanaal hing af van de val van de Kemmelberg.

Voor het nieuw offensief, hadden de Duitsers 5 kloeke divisies, waaronder de Alpijnjagers uit Beïeren, grof geschut en aanvalsvliegtuigen opgetrommeld. De Fransen en de Britten telden samen vijf divisies en een eskadron ruiters. Voor het eigenlijk offensief, waren er schermutselingen geweest, waarbij aan de vooravond van het Duits offensief, de Fransen Duitse soldaten hadden gevat die hen voor het nakend offensief verwittigd hadden. De Franse artillerie beschoot de Duitse stellingen.

Om 2u30 in de morgen, begon de Duitse beschieting, brutaler dan in Verdun. Gasgranaten vielen op de Franse eesrte linies en op de artillerie eenheden. Er vielen honderd granaten per minuut. Om 6u vielen de Duitse vliegtuigen alle Geallieerde stellingen aan, zij beschoten al wat bewoog met kogels en bommen. Bij het krieken van de dag, was de Kemmelberg veranderd in een maanlandschap en bedekt door een dikke mistlaag. Voor de Duitse infanterie was dit het gepaste moment om aan te vallen. Zij gebruikt telkens weer dezelfde taktiek : de (nijp)tang. Een groep marcheert van west naar oost door het dorp Kemmel en een andere langs Locre door de  Hellebeekvallei. De Duitse opmars wordt in het noorden (linker flank), waar de Engelse en Franse Legers mekaar raken, vertraagd. De 9de Britse Divisie wordt verdreven, maar klampt zich vast aan de vijver van Dikkebus, waar zij de steun krijgt van een pantservoertuig.

Op de Kemmelberg, is de toestand kritiek. Na drie bloedige aanvallen, worden de Duitsers meester van de Kemmelberg. Op de rechter flank, zakt het front in één, door toedoen van de Beïerse Alpijnjagers, die het reliëf en de verlaten schuilplaatsen gebruiken om onopgemerkt vlak voor de Britse en Franse artillerie eenheden te voorschijn te komen. De artilleristen bieden weerstand, maar zij moeten de Kemmelberg prijs gevzen. De Britten hebben 25 van hun kanonnen moeten opblazen. Het dorp Locre is in Duitse handen.

De Fransen en de Britten besluiten om de Duitse opmars tegen te houden achter de Kemmelberg in de richting van Ieper, langs de weg van Bailleul naar Ieper, langs het kruispunt van de Klitte en de vijver van Dikkebus. De Fransen willen de Duitsers verdrijven en de Duitsers willen naar Poperinge oprukken. De twee offensieven leiden tot een status quo: de Duitsers geraken niet verder. Tijdens de twee dagen durende relatieve rust, versterken de Bondgenoten hun verdedigningslinies in de richting van Ieper. De Geallieerden hebben vernomen dat de Kaiser een bezoek bracht aan het front op het ogenblik van de aanval op de Kemmelberg. De Duitsers hadden toen 6000 geallieerde soldaten gevangen genomen en 53 kanonnen en 200 mitrailleurs buit genomen.

De laatste etappe voor de grootse Duitse overwinning : de heuvel van Scherpenberg innemen, de Vlaamse bergen langs achter inpalmen, een draaibeweging langs het Noorden, oprukken naar Poperinge en uiteindelijk alles overrompelen tussen Ieper en de Kanaalkust. Op 29 april 1918, om 7 u s'morgens, voeren de Duitsers een nieuw offensief op een front 14 km breed langs de weg van Bailleul naar Ieper. Hun aanval op de linker en rechter flank lukt niet. De midden flank lijkt minder strijdlustig, maar na een bloedige strijd, valt het dorp Locre opnieuw in Franse handen. De Duitsers lijken op dat ogenblik helemaal uitgeput. Dankzij de versterkingen die Foch naar het front stuurt, worden de laatste Duitse stellingen onschadelijk gemaakt. Op 5 mei 1918 is de slag om Vlaanderen definitief voorbij. De Duitsers zijn er niet in geslaagd een decisieve doorbraak te bekomen.

De havens van Zeebrugge en Oostende moesten tegelijkertijd geblokkeerd worden, wou men succes boeken tegen de Duitse marine. Dit verklaart waarom twee aanvallen werden gepland op 23 april 1918. De raid op Oostende volgde dezelfde modus operandi als die op Zeebrugge. Aangezien de vaargeul van Oostende veel smaller en kleiner was, leek het doel secundair en vergde dan ook minder manschappen en schepen.

Desondanks hoopten de plannenmakers dat de simultane aanval de Duitsers hun mankracht zouden splitsen.

Zoals in het geval van de raid op Zeebrugge, vertrokken de schepen uit hun respectievelijke havens in de namiddag van 22 april 1918 om na zonsondergang voor Oostende aan te komen. Kanoneerboten en torpedobootjagers dienden op het zelfde ogenblik de kustbatterijen te beschieten. Een rookgordijn diende voor de vloot getrokken te worden om het konvooi onzichtbaar te maken. Twee schepen waren voldoende geacht om de vaargeul te belemmeren.

De aanval verliep niet zoals gepland. Toen de schepen in zicht kwamen van Oostende, veranderde de wind van richting en bood de rookgordijn geen bescherming. De Duitse artilleristen hadden een klaar zicht op de Britse oorlogsschepen die onmiddellijk onder vuur werden genomen. De HMS Brilliant, één van de twee schepen die de vaargeul moest blokkeren, volgde een boei aan de ingang van de haven en kwam terecht op een zandbank. Het tweede schip volgde van te dichtbij en enterde zijn voorganger. Zij werden onmiddellijk onder vuur genomen. De bemanning van de twee schepen zocht redding in de begeleidingsschepen. De kanoneerboten en torpedobootjagers beschoten de kust tot alle schepen in volle zee waren.

De Duitse bevelhebber in Oostende had de boei aan de ingang van de haven van Oostende meer naar het oosten verplaatst, midden in een zandbank.