Duitse vredesvoorstel (12 december 1916)

In Duitsland is het voedsel tekort en het gebrek aan mankracht verontrustend geworden. De slag bij Verdun wordt een ramp voor de Duitsers. In een eerste faze zendt kanzelier Bethmann-Hollweg ambassadeur von Bernstorff naar de Verenigde Staten om er de Amerikaanse regering te polsen over de organisatie van een vredesconferentie. Maar aangezien de wijfelende houding van de Amerikanen en de bezetting van Boekarest, overhandigt de Duitse kanselier zijn vredesvoorstel aan de Bondgenoten. Volgens hem de laatste kans om tot een evenwichtige vrede te komen. De Centrale machten, door keizer Wilhelm II ondersteund, willen vredesonderhandelingen beginnen op basis van het vredesvoorstel van Bethmann-Hollweg. Voor de Bondgenoten is dit voorstel onaanvaardbaar; de Duitsers willen het front vastleggen in hun voordeel en de Centrale machten bewaren hun veroverde gebieden, d.w.z. België komt niet vrij en Elzas-Lotharingen wordt niet aan Frankrijk terug geschonken. Op 30 december 1916 verwerpen de Entente mogendheden het Duitse vredesvoorstel, want hooghartig en verwaand beschouwd.

Na de verwerping van het Duitse vredesvoorstel door de Geallieerden, schuift de Duitse propaganda de verantwoordelijkheid voor de voortzetting en de verharding van de oorlog (bv onbeperkte duikbootoorlog) in de schoenen van de Bondgenoten.

In het begin, was Koning Albert I van oordeel dat het Vrije België het recht had zelf aan het Duitse voorstel te antwoorden. Maar onder Franse en Britse druk werd het Belgisch antwoord in dezelfde zin geschreven als dat van de Bondgenoten.