Oorspronkelijk had de Naval Allied Council beslist dat de Duitse oorlogsvloot in Duitse havens moest ten anker blijven tot nader order. Duitsland ging akkoord met artikel XXI van de voorwaarden van de Wapenstilstand, waarin werd verklaard dat alle Duitse duikboten aan de Bondgenoten moesten overhandigd worden en dat de oorlogsbodems in Geallieerde of Neutrale havens moesten geïnterneerd worden. Aangezien geen enkele Neutrale haven bereid was zulk een oorlogsvloot te bewaken, besliste de Naval Allied Council dat de Duitse Hochsee Flotte naar Scapa Flow (ten Noorden van Schotland) moest varen waar de Royal Navy de Duitsers in het oog kon houden. De 200 Duitse duikboten voeren naar Harwich.

Op 20 november 1918 vertrokken de 70 Duitse oorlogsschepen naar de Firth of Forth. Onderweg werden zij begeleid door Britse oorlogsschepen. In de Firth of Forth toegekomen, werden de 70 Duitse schepen door 370 Geallieerde oorlogsbodems verwelkomd. Op bevel van admiraal Sir David Beatty waren de geschutskoepels bemand en de kanonnen gewapend. Hij benadrukte dat een Wapenstilstand geen vrede betekent, maar enkel een staakt het vuren. Hij had geen vertrouwen in het Duitse gegeven woord.

Uiteindelijk liggen alle Duitse schepen ten anker bij Inchkeith waar de Britten ze grondig doorzoeken op zoek naar wapens, munitie, en gesofisticeerd oorlogsmateriaal.

Ze blijven in Inchkeith van 22 tot 26 november en op 27 november liggen zij in de baai van Scapa Flow.


Op 12 november 1918, vernemen de Brusselaars door de kranten dat een Wapenstilstand op 11 november werd afgekondigd en dat de oorlog gedaan was. De inwoners van de hoofdstad waren dolgelukkig, opgelucht, maar de Duitsers, zelfs al willen ze verbroederen met de bevolking, bezetten nog steeds hun stad. Ondanks het motto van de B.W.P. en van de Conferentie van Burgemeesters, kalmte bewaren en niet verbroederen met de vijand, zijn er Brusselaars en leden van de B.W.P. die dicht bij de Bolsjewieken aanleunen, die de revolutionairen aanmoedigen.

De dagen na de Wapenstilstand worden gekenmerkt door aangroeiend geweld en het toenemen van de plunderingen. Op 12 november 1918 wordt een bekende Brusselse bank, Bank Allard, door zes Duitse soldaten overvallen. Zij hebben 63.650 Mark in casso en daarbij nog eens 51.860 Mark door een kassier gebracht gestolen. Zij hebben beweerd in naam van de nieuwe Duitse regering te handelen, om als waarborg voor mogelijke plunderingen te dienen. Dezelfde groep soldaten heeft nog eens 12.000 Mark en waardepapieren in de Wetstraat gestolen. Elders in de stad werden andere gewelddaden en plunderingen opgetekend: in de Koningsstraat, Noordlaan, Duivenkotstraat, werden meerdere huizen en winkels beroofd met hetzelfde excuus. In enkele dagen tijd werd een totaal bedrag van honderdduizenden Mark in bargeld en in waardepapieren gestolen, evenals 25.000 Franken in juwelen.

De directeur van Bank Allard heeft klacht neergelegd bij de politie en bij de Soldatenraad. Toen de Duitsers dit vernomen konden zij het moeilijk geloven, maar na de bewijsstukken ingekeken te hebben, konden zij niets anders doen dan te beloven het geld terug te geven. Volgens de Nederlandse gezant Van Vollenhove, zou de Duitse overheid inderdaad de slachtoffers vergoeden en soldaten sturen om de banken te beschermen.

De Brusselaars zijn nergens meer in veiligheid. Volgens een krantenartikel zouden soldaten-bandieten gewapender hand in een kroeg zijn binnengetreden en de klanten van al hun bezittingen beroofd hebben.

In de nacht van 12 op 13 november hebben dronken soldaten op de stadswacht geschoten die bij het stadhuis op de Grote Markt op wacht stonden. Gelukkig vielen er geen slachtoffers. De daders werden gevat en bestraft en de Duitse soldaten kregen toen het bevel de stadswacht te eerbiedigen! 

Om de kinderen te beschermen tegen rondvliegende kogels, hebben de schooldirecties van officiële en gemeentescholen aan de ouders gevraagd om hun kinderen thuis te houden. Dit heeft tot na de Blijde Inkomst van het Koninklijk echtpaar geduurd. Om de kalmte in de stad te behouden, moet er alles gedaan worden om de veiligheid van de burgers te waarborgen. De Brusselse Soldatenraad heeft aan het Volkshuis gevraagd enkele vooraanstaande Socialisten (volksvertegenwoordiger Wouters en schepen van de stad Brussel Pladet) te sturen om over de ordehandhaving te spreken.  In de Senaat, heeft  kameraad Freund zijn wens geuit dat de orde zou gehandhaafd worden en daarvoor heeft hij de hulp nodig van de Socialisten. Maar zij zijn gekant tegen het organiseren van Belgisch-Duitse patrouilles en hebben de Brusselse bevolking via aanplakbrieven aangemaand om kalm te blijven en de vijand niet uit te dagen. Trouwens de ordehandhaving is de rol van het stadsbestuur. De Burgemeesters van Groot-Brussel hebben eveneens via aanplakbrieven de bevolking gevraagd de openbare orde niet te verstoren. Zelfs de pers heeft meegewerkt : in een artikel werd de bevolking gevraagd niet dom te ageren, de Koning komt trouwens binnen enkele dagen naar Brussel, het zou dom zijn nu te sterven.

Schepen Lemonnier, waarnemend burgemeester, heeft de Soldatenraad bedreigd Maarschalk Foch op de hoogte de brengen van wat er in Brussel gebeurde, want wat de soldaten doen druist in tegen de voorwaarden van het wapenstilstandsakkoord.

De orde keert terug in Brussel van zodra de Geallieerden in de stad binnenkomen., rond 15 - 16 november 1918.

Op 7 november 1918, eist de Arbeiders-, Soldaten- en Landbouwersraad van München de onmiddellijke troonsafstand van de koning van Beieren Lodewijk III en het vertrek van de prinselijke familie Wittelsbach. De koning blijft aan tot 8 november en zijn familie is een dag vroeger vertrokken. Beieren wordt een Volksrepubliek en de eerste president wordt Kurt Eisner. De andere regerende dynastiën volgen het voorbeeld van de familie Wittelsbach. Tot nu toe zijn er heel weinig slachtoffers gevalle, het Ancien Régime blijkt geen aanhangers te hebben.

In de Pruisische hoofdstad Berlijn, hebben de socialisten van de MSPD meer en meer invloed op de regering en eist met klem de troonsafstand van de Kaiser en het vertrek van de Hohenzollern. Op hetzelfde ogenblik, maakt de linker vleugel van de socialistische partij, de USPD, of Spartakisten, zich klaar voor de strijd : 2.000 à 3.000 leden staan te popelen van ongeduld. Op 9 november roepen de Spartakisten en de MSPD een algemene staking uit in de grote bedrijven. Arbeiders- en soldatenraden worden georganiseerd, politieposten en strategische gebouwen worden bezet. De betogers bezetten alle straten van Berlijn. De MSPD vreesde voorbij gestreefd te worden door de uiterst linkse kameraden en beslist uit de regering te stappen. De Rijkskanselier, prins Max von Baden stuurt meerdere telegrammen naar de Kaiser, die op dat ogenblik in Spa vertoefde, om hem aan te zetten eindelijk een beslissing te nemen: een regent benoemen of Ebert aanstellen als kanselier. Uiteindelijk wordt om 11u30 aangekondigd dat de keizer troonsafstand doet (dat zijn zoon, de Kroonprins, afziet van de troonopvolging), en voor dat hij ontslag neemt, geeft hij zijn ambt over aan de socialist Friedrich Ebert. Er heerst chaos in Berlijn, de gebeurtenissen volgen zich in een eil tempo op. In de Reichstag wordt de socialist Philippe Scheidemann aangeduid om aan het volk het einde van de Monarchie en van het Militarisme te verkondigen; maar uit eigen initiatief roept hij de Duitse Republiek uit! Hij wordt onmiddellijk door Ebert berispt. Twee uur later, verkondigt de Spartakistische leider, Karl Liebknecht op het Berlijnse stadhuis dat de Socialistische vrije republiek van Duitsland geboren is en dat het Kapitalisme gestorven is. Kanselier Ebert wenst niet met uiterst links in het huwelijks bootje te stappen, want hij veroordeelt de universele revolutie en alle macht aan het Proletariaat, slagzinnen die de rechtsstaat en de democratie ondermijnen. In de nacht van 9 november 1918, vallen het Hoofdkwartier van het leger en kanselier Ebert akkoord om samen tegen het Bolsjewisme te strijden.

s'Anderendaags, 10 november 1918, benoemt Willem II Maarschalk Hindenburg tot opperbevelhebber van alle keizerlkijke strijdkrachten en verlaat Spa om in Nederland asiel te vragen. Hij zal van 9 november 1918 tot aan zijn dood in 1941 in het kasteel van Amerongen vertoeven. Generaal Ludendorff wijkt uit naar Zweden, hij zal later een aanhanger van Hitler worden.

In hun getuigenis "Cinquante mois d'occupation allemande", vertellen de auteurs verhalen over Duitse deserteurs die om de oorlogsgruwelen te ontvluchten, het Duitse leger verlaten en hun uniformen wisselen tegen burgerkledij. Sommigen dwalen in groepjes in de bossen rond en bedelen bij landbouwers. Zij worden door de Feldgendarmerie opgezocht en soms opgepakt, maar diegenen die hun wapen hebben behouden, hebben op de Duitse "gendarmen" geschoten. In Elsene heeft een weduwe een appartement verhuurd aan een Duitser, die daarna een deserteur bleek te zijn. Hij heeft zij kamaraden bij hem uitgenodigd om van kledij te wisselen. Zonder nieuws van haar huurder, is zij in haar appartement gaan kijken en daar heeft zij 24 militaire uniformen gevonden. De auteurs weten niet of zij later werden opgepakt.

"Jeudi 29 août 1918:

"Depuis quelques jours, depuis que l'offensive de Foch en Champagne et dans l'Artois prend une tournure si inquiétante pour les Allemands, le nombre de leurs soldats qui désertent, las de vivre dans l'enfer de là-bas ou effrayés à l'idée d'y être jetés, va grandissant. On en rencontre dans chaque village, et souvent ces déserteurs rôdent en bandes de cinq et six, dans les bois. Ce matin, traversant Crainhem, j'en ai vu trois que des sous-officiers ramenaient, la corde au poignet. Cette chasse aux déserteurs ne se fait pas toujours sans coups de feu, et il arrive que les coups de feu sont pour les gendarmes allemands lancés à leurs trousses : la semaine dernière, entre Louvain et Tirlemont, un gendarme allemand a été tué ainsi par deux déserteurs, père et fils, tous deux décorés de la croix de fer.

"Comment vivent-ils, ces hommes qui ont pris la grave décision de tout planter là, au risque d'être fusillés? C'est un mystère. Les paysans racontent que le jour ils vivent dans les bois, qu'ils en sortent la nuit pour voler des pommes de terre, et que beaucoup aussi viennent, au crépuscule, mendier à la porte des fermes. Tous coupent les boutons et numéros de leurs tuniques pour qu'on ne puisse les identifier et ne conservent sur eux aucune pièce permettant de les reconnaître. Ils vendent leurs bottines et leurs ceinturons et s'achètent des sabots. Ils offrent leurs vêtements , qui souvent sont encore en bon état, en échange d'un pantalon de domestique de ferme et d'une veste déchirée. Des paysans font ce troc et envoient teindre les tuniques chez des gens sûrs. Aussi l'autorité allemande vient de faire afficher l'interdiction de vendre ou d'acquérir "même à titre gratuit" des uniformes ou parties d'uniformes ainsi que des objets d'équipement militaire. Mais cela n'impressionne personne.

"La semaine dernière, dans une maison d'Ixelles, où habitent une veuve et sa jeune fille, un civil se présente pour louer un appartement vacant. Reconnaissant à son accent un Allemand, la maîtresse de maison hésite, mais il insiste :

"- Vous n'aurez pas d'ennuis avec moi, dit-il, je suis occupé tout le jour et ne serai ici que pour dormir."

"Finalement, la dame accepte. Le lendemain, la journée se passe en allées et venues dans sa maison. Du matin au soir, son nouveau locataire reçoit la visite d'amis.

"- Tous viennent voir mon installation, dit-il à la dame qui se plaint de ce remue-ménage; et soyez en bien persuadée, cela ne se répètera pas."

"En effet, les jours suivants, plus personne ne vient. Pas même le locataire, qui ne donne plus signe de vie. Au bout d'une semaine, la propriétaire inquiète, fait ouvrir l'appartement : on y trouve 24 tuniques militaires allemandes abandonnées là par des déserteurs qui sont venus y changer de vêtements et qui sont partis après avoir soigneusement coupé tous les boutons et numéros de régiments."

bron : GILLE (Louis) - OOMS (Alphonse) - DELANDSHEERE (Paul), Cinquante mois d'occupation allemande, t. IV, 1918, Brussel, 1919, p. 293 - 295

Het Parijs-Geschut (in het Duits: Paris-Geschütz) was een Duits lange-afstandskanon (waarvan de loop uit drie delen bestond en een kaliber van 380 mm had) waarmee van 23 maart tot 9 augustus 1918 Parijs beschoten werd. Krupp heeft er zeven stuks van gebouwd. Het kanon schoot 120 km ver en de granaat bereikte een hoogte van 40.000 m op het hoogste punt van het balistisch traject.

Het kanon bevond zich op een betonnen platform dat eind 1917 aan de voet van een beboste heuvel "mont de Joie" (Aisne departement) gebouwd werd. Door de heuvelachtige streek en de vele bossen, kon het kanon moeilijk opgemerkt worden.

De eerste schietcampagne begon op 23 maart 1918 en eindigde plotseling op 3 mei 1918. De eerste dag, werd Parijs beschoten van 7u40 tot 14u00 en wegens de bewolkte hemel konden de Franse verkenningsvliegtuigen het kanon niet opsporen. Om het gebulder van het reuze kanon te "camoufleren", schoten andere kanonnen de hele dag door. Vliegtuigen vlogen over de heuvels om elke indringer neer te halen. De Franse  "Sections de repérage par le son (SRS)" konden de juiste plek van het kanon niet nauwkeurig acherhalen, maar s'anderendaags hebben de Fransen hun zware artillerie ingezet om de Duitse stellingen te bestoken. Vele Duitse soldaten zijn gesneuveld, maar het reuze kanon werd nooit geraakt. De Duitsers waren heel snel op de hoogte van het resultaat van de beschieting, dankzij een spion die in Parijs vertoefde en iedere dag telefonisch verslag uitbracht.

De eerste dag werden 15 burgers gedood en 29 gewond.

De beschieting stopte op 3 mei, wanneer een granaat vroegtijdig ontplofte en de loop van het kanon totaal verwoestte. Het tweede kanon werd pas op 27 mei operationeel, op tijd voor de tweede slag aan de Marne. De beschieting duurde tot 11 juni 1918 en daarna stopte ze tot 6 juli, misschien om een pariser Kanone van Crépy naar Bruyères-sur-Fère, in een bos bij Val-Chrétien te verplaatsen.

De laatste schietcampagne begon op 16 juli, maar werd heel snel afgefloten wegens het geallieerd offensief.

Een kanon die in Beaumont-en-Beine stond opgesteld, schoot tot 9 augustus 1918.

Het terreur effect werd niet bereikt, want de Parijzenaars werden de trage beschietingen gewoon. Maar tegelijkertijd werd Parijs ook s'nachts door Gotha-bommenwerpers bestookt.

In vier maanden tijd vielen er in totaal 367 granaten op de stad tijdens 44 bombardementen. Daarbij kwamen 250 Parijzenaars om het leven en vielen er 620 gewonden.

 

Gedurende de winter 1917-1918 is de Zenne buiten haar oevers getreden in de streek rond Vilvoorde. In de kranten van toen, zijn er foto's te zien waar mensen barvoets een overstroomde weg moeten oversteken. Elders zijn er fabrieken onder water. De hulpdiensten komen per vrachtwagen.

Vierde oorlogswinter. Op 9 januari 1918, werden de Brusselaars verrast door de sneeuw. Over 't algemeen was de winter 1917-1918 redelijk streng. Zoals tijdens de winter 1916-1917 werden de scholen gesloten wegens gebrek aan steenkool.