In Groot-Britannië wordt de rantsoenering ingesteld nadat de Duitsers de duikbootoorlog verstrengd hebben in februari 1917.

Vanaf april 1917, is er een verbod op het verkopen van voedingswaren na 20u. Het is zelfs verboden meer dan één tweegangenmenu te bestellen in een restaurant. Duiven mogen niet meer in het openbaar gevoed worden en wie thuis kippen heeft, mag ze niet meer voeden.

Het gebrek aan voedsel doet de prijzen van voedingswaren fors stijgen. Dit zet sommige gemeentebesturen aan om het voedsel te rantsoeneren, tegen de wil van de arbeidersgezinnen.

Zoals in andere oorlogvoerende landen, wordt in Groot-Britannië het bereiden en verkopen van taarten, cakes, muffins, e.d.m. verboden. Het brood wordt eveneens gerantsoeneerd : de bakker mag zijn brood slechts 12 u na het bakken verkopen!

De verplichte rantsoenering van voedingswaren (suiker, tee, boter, margarine, kaas, bacon, enz.) wordt in december 1917 op regionale basis ingevoerd : Pontypool in Wales is de eerste regio die door de restricties getroffen wordt. Londen volgt begin 1918. Heel Groot-Britannië is op dieet vanaf de zomer van 1918!


Tijdens de tweede semester van 1917, waren de vooruitzichten niet rooskleurig. Wegens de hoge prijs van de voedingsproducten in de winkels, moest men - wilde men overleven -, een stukje grond bezitten en bewerken om er aardappelen, kolen en dergelijke te kweken. Zij moesten constant in het oog gehouden worden want dieven kwamen heimelijk s'nachts enkele groenten stelen. Hierna volgt een getuigenis (in het Frans):

"La lutte pour l'existence s'annonce terrible dans un prochain avenir. Les fermiers racontent qu'une nuée de maraudeurs se répand chaque nuit dans les campagnes et que ces individus repartent vers la ville les poches remplies d'épis qu'ils ont coupés au moyen de ciseaux. En maints villages qu'on me cite, des habitants, à tour de rôle, restent dans les champs jusqu'au matin pour empêcher ces vols. C'est ce que font aussi les ouvriers sans travail qui ont reçu l'autorisation de cultiver çà et là des lopins de terre. Au Solbosch, sur l'emplacement de l'Exposition de 1910, de la dernière grande foire des pays aujourd'hui en armes, 400 ouvriers ont chacun cultivé leur petit coin. Ils ont établi un roulement pour la garde du bien commun : quatre gardes le surveillent durant le jour, quatre durant la nuit.

"On aperçoit des plantations du même genre jusqu'au milieu des artères publiques. Schaerbeek, par exemple, a permis à ses ouvriers de planter des pommes-de-terre et des choux sur une moitié du boulevard Lambermont, aux emplacements à présent inutiles qui servaient, lorsqu'il y avait des chevaux et des vélos, aux cavaliers et aux cyclistes. Les pelouses du parc public de Laeken, la plus grande partie du parc de Koekelberg sont converties en champs de pommes-de-terre.

"Partout, il faut une surveillance nocturne. Que l'on vole ainsi, quoi d'étonnant quand tout est hors de prix? Un kilo de farine, qui valait bien trente centimes en temps normal, trouve maintenant, en cachette, acheteur à dix francs! Avec du grain volé on fera du malt, et quelques coups de ciseaux donnent des épis pour une somme!"

Bron : GILLE (Louis) - OOMS (Alphonse) - DELANDSHEERE (Paul), Cinquante mois d'occupation allemande - t. III 1917, Brussel, Librairie Dewit, 1919, p. 358 - 359

Wegens het moraliserend beleid van de Commission for Relief in Belgium, die geen bloem meer wou leveren om gebak te maken, omdat volgens haar gebak een luxe product was geworden en dus nutteloos, waren de Belgische banketbakkers verplicht vanaf 27 oktober 1916 hun deuren te sluiten. Volgens bronnen uit die tijd, was de meerderheid der Belgen niet onder de indruk. Zij waren eveneens van mening dat in oorlogstijd, in tijden van armoede geen plaats meer was voor lichtzinnigheid. Zo hoopten ze ook dat er meer brood op de markt zou komen.

De banketbakkers hebben een gedeelte van hun winst verloren, maar zij konden terugvallen op de verkoop van pralines en chocolade. De oneerlijke bakkers zouden nog gebak maken met bizarre grondstoffen.

 

De Brusselse bevolking is dol gelukkig dat ze opnieuw aardappelen kan eten. Een getuigenis :

C’est un grand jour, aujourd’hui : on fête les patates nouvelles, et c’est un pittoresque spectacle, l’attroupement, aux portes des magasins communaux, de milliers de ménagères, et d’hommes aussi, et d’enfants qui viennent, pour la première fois, chercher leur ration de 300 grammes. Il faut se mêler à cette foule et parmi elle, attendre patiemment son tour – deux heures ! – pour bien pénétrer l’âme populaire et se rendre compte de l’état toujours robuste des esprits après deux ans de tyrannie et de souffrances. Sans doute, il y a des lamentations ; presque toutes les bourses sont plates ; la gêne si pas la misère, est au foyer ; et, dans le nombre, combien qui ont, le cœur fendu par l’interminable absence d’un mari ou d’un fils appelé au champ de combat ! Mais de l’ensemble des réflexions échangées, des menus propos, des plaisanteries alternant avec les sombres pensées, se dégage une impression de courage indomptable et de confiance illimitée. Il semble que tous ces gens aient adopté pour devise : je tiendrai bon ! 

De Brusselaars staan in de rij om hun rantsoen aardappelen (300 g.) te krijgen . Sommigen hebben geen geld meer, anderen hebben een man of een zoon aan het Front, maar zij zullen de moed niet laten zakken. "Je tiendrai bon!"

(GILLE Louis - OOMS Alphonse en DELANDSHEERE Paul, Cinquante mois d'occupation allemande, t. II 1916, Brussel, 1919, blz. 209)

De overblijfselen van het "economische restaurant" van de Grote Markt worden verzameld om de koeien te voeden (1917).

Honderden mensen aanwezig te Saint-Gery (1917).

Het pralinedoosje wordt in 1915 door Jean Neuhaus voor de Stad Brussel gepresenteeerd.