Aangezien Brussel door de Raad van Vlaanderen beschouwd wordt als hoofdstad van Vlaanderen, dienen alle menselijke contacten, zowel schriftelijk als mondeling, in het Vlaams te gebeuren.  Blijkbaar wordt het niet door alle burgers nageleefd, zelfs al worden zij bestempeld van Flamingantisme. Onderwijs geven in het Vlaams blijkt een groot probleem voor sommige religieuze orders. De Vlaamse Activisten hebben blijkbaar niet zoveel aanhang als zouden de gecensureerde kranten het willen doen geloven.

Louis GILLE, Alphonse OOMS en Paul DELANDSHEERE getuigen van wat er op die dag, 21 augustus 1917 gebeurd is:

Juffrouw LAMS, directrice van de Vlaamse Normaalschool voor Meisjes van Laken, aangesteld door de Vlaamse overheid tijdens de bezetting, heeft zware blunders begaan volgens de Raad van Vlaanderen en één daarvan is het ontvangen van een in het Frans geschreven factuur. Zij werd toen op het matje geroepen door haar overstenv en door de Raad van Vlaanderen.

Verder kunnen de Zusters van Sainte-Julienne geen catechismusles meer geven, aangezien zij verplicht zijn hun lessen in het Vlaams te geven en zij de Vlaamse taal niet beheersen.

Tenslotte brengen de Vlaamse Activisten s'zondags de "Blijde Boodschap" in alle Vlaamse dorpen. De dorpelingen mogen hun mening zeggen na de redevoering van een vooraanstaande Flamingant, zoals August Borms. In Herent heeft een gemeente onderwijzer zijn mening geuit en s'anderendaags werd hij naar Duitsland gedeporteerd.

Bron : GILLE, Louis - OOMS, Alphonse - DELANDSHEERE, Paul, Cinquante mois d'occupation allemande - t. III 1917, Brussel, Librairie Albert Dewit, 1919, p. 387-388

 


Het gaat hier om een nutteloze nieuwigheid, aangezien niemand meer gehaast is en nog geld op zak heeft, tenzij... oorlogswoekeraars. Volgens de joernalist van de "Événement illustré 1917" is het een fenomeen van tijdelijke aard, een curiosum.

Op 21 juli 1917, waren er minder schermutselingen met de Duitse bezetter dan in 1916, want de meeste burgers verkozen kalm te blijven om de gemeente te vrijwaren van een zware boete. De winkels bleven open zoals gewoonlijk, maar slechts weinig klanten kwamen er hun boodschappen doen.

De Brusselaars die in de Nieuwstraat, door drie Duiitse soldaten bewaakt, wandelden, deden hun hoed af op de hoek van de Nieuwstraat en de St-Michielstraat, ter hoogte van het Monument van de Helden van 1830. Toen de Duitse Polizei door had wat er gaande was, werden Brusselaars op willekeurige basis opgepakt voor verhoor. Zo werden studenten van de school voor Kunsten en Ambachten uit de Duitslandstraat gearresteerd.

Op de Nationale Feestdag van 1917 kwamen Vlaamse Activisten voor het kathedraal betogen. Door August Borms opgehitst , eisten zij de vervanging van Mgr Mercier (Vlaamsonkundig) door een Vlaamse Aartsbisschop in Mechelen. De Brusselse politie kwam snel ter plaatse en nam drie herrieschoppers op voor verhoor. Nadien werden zij door de Duitse politie "bevrijd".

Bron : GILLE (Louis), OOMS (Alphonse) et DELANDSHEERE (Paul), Cinquante mois d'occupation allemande, III. 1917, Bruxelles, 1919, p. 346.

Baron Moritz von Bissing werd op 30 januari 1844 te Ober Bellmannsdorf (Silesië) geboren. In 1865 vervoegt hij het Pruisische leger en in 1897 wordt hij tot General der Kavallerie gepromoveerd. Van 1901 tot 1907 voert hij het commando over het VII Legerkorps te Münster. Hij neemt zijn ontslag in 1908 en begint een sportieve carrière. In augustus 1914, wordt hij teruggeroepen om het VII Legerkorps te leiden, tot in november 1914.

Na de Eerste slag aan de Ijzer wordt hij op 24 november 1914 benoemd tot Gouverneur - generaal voor België. Door zijn star beleid heeft hij vele Belgische burgers zich in het harnas gejaagd. Hij heeft de doodsvonnis van Edith Cavell getekend. Hij heeft eveneens de arrestatie en de deportatie van de Brusselse schepen voor Openbaar Onderwijs Emile Jacqmain bevolen. Hij heeft de Flamenpolitik van zijn regering ondersteund door de Vlaamse Univerisiteit van Gent (von Bissing universiteit) te openen en de bestuurlijke verdeling van België vanaf 21 maart 1917 in gang te zetten.

Hij overlijdt op 18 april 1917, op het Domein Drie Fonteinen (Vilvoorde), waar hij meestal verbleef. Zijn stoffelijk overschot werd in het Brussels Muziekconservatorium tentoongesteld tot zijn overdracht naar Berlijn, waar hij op het Invalidenfriedhof begraven werd. Zijn graf is inmiddels geruimd.

De verordening van de Duitse Gouverneur generaal van 13 december 1916 verwittigt dat vanaf 22 februari 1917 alle non-ferro huishoudvoorwerpen, zoals koper, tin, en nickel zouden opgeëist worden. In een eerste fase mochten de vrijwillige burgers hun koperen voorwerpen naar een verzamelplaats, o.a. station Luxemburg en het Brouwershuis (op de Grote Markt) brengen. In een tweede fase (op 6 maart), werden de Brusselaars door de Belgische lokale politie opgeroepen hun koperen voorwerpen naar verplichte verzamelplaatsen te vervoeren. In het begin, waren de voorwerpen met een artistieke of historische waarde vrijgesteld. Later werden de huizen van de "fraudeurs" doorzocht.

De winter 1916-1917, en meer precies de maanden januari en februari 1917, waren uitzonderlijk koud. Die winter was hard omdat de Brusselaars leden onder een gebrek aan steenkool, als gevolg van de Duitse opeisingen. Vrouwen met kinderen, ouderen zonder geld werden doodgevroren aangetroffen in hun woning. Op 14 februari 1917 meldde het Duitse bestuur per post dat hij geen steenkool meer zou leveren aan de schoolinstellingen van Groot Brussel en dat de scholen die geen voorraad steenkool meer hadden hun deuren moesten sluiten.  Ondanks het feit dat de Stad Brussel een voorraad steenkool had opgeslagen om de scholen en de arme Brusselaars bij te staan, werd zij verplicht al haar scholen te sluiten : geen uitzondering! De leerkrachten en de leerlingen gaan in het verzet en vergaderen in garages, werkruimten, private woningen, enz. om op die manier aan de Polizei te ontkomen. Maar sommigen, die door verklikkers waren verraden, werden door de Duitse politie opgepakt en opgesloten. De vrije scholen uit het Brussels gewest ondergingen dezelfde "pesterijen".

Medio april 1917, mochtren de scholen heropenen, maar aangezien de schoollokalen niet mochten verwarmd worden, gingen zij heel snel weer dicht.

Om energie te besparen, moesten de winkels één uur vroeger sluiten dan gewoonlijk (17u00 in plaats van 18u00) en de uitstalramen mochten niet verlicht worden.