De Belgische regering heeft het Franse beleid gevolgd : de bezetting van het Rijnland. Vanaf 26 november 1918, hebben vijf Belgische divisies de Duitse grens overgestoken en hebben het gebied tussen Düsseldorf en de Nederlandse grens met Aken als bruggenhoofd bezet. De bezetting had tot doel de Duitsers te overtuigen dat zij de oorlog hadden verloren en dat zij voor de oorlogsschade moesten opdraaien. De Duitse bevolking werd nog steeds gezien als barbaren, "Moffen" en oorlogsmisdadigers.

De Belgische en Brusselse spotprenten tonen Belgische soldaten die door de Duitse bevolking als een "Dominus" worden beschouwd. De Duitsers buigen en staan in het gelid voor hen. In het Franse bezettingsgebied, werden de Duitsers verplicht Franse soldaten en officieren te begroeten, de Franse vlag te eerbiedigen en het Franse uur in acht te nemen.

Aangezien de Duitsers niet snel genoeg de oorlogsschade betaalden, bezetten de Fransen en de Belgen het Ruhrgebied van 1923 tot 1924.

De Belgen hebben hun bezettingsgebied pas in 1929 verlaten.


Volgens paragraaf V hoofdstuk A van de Wapenstilstandsovereenkomst bekrachtigd door het Verdrag van Versailles (28 juni 1919), dienden de Duitsers zich achter een neutrale zone van 10 km diep terug te trekken en de Geallieerde troepen moesten de rechteroever van de Rijn bezetten en controle uitoefenen op een dertigtal km rond drie bruggenhoofden : Mainz, Koblenz en Keulen. In het begin waren de Bondgenoten het eens dat de overwinnaars de Duitsers moesten overtuigen en doen aanvoelen dat zij de oorlog hadden verloren en vermijden dat de Duitsers opnieuw de wapens zouden opnemen. Later ontstond er onenigheid in het Geallieerde kamp, aan de ene kant de Britten en de Amerikanen die van mening waren dat Duitsland opnieuw een welvarend land moest zijn en dat men met de locale bevolking en overheden diende samen te werken. De Fransen en de Belgen waren nog steeds van mening dat Duitsland moest opdraaien voor de toegebrachte oorlogsellende in hun land.

Op 15 november 1918, stelt Maarschalk Foch de regels op die in de bezette gebieden van toepassing zijn, zonder de Conventie van Den Haag uit 1907 uit het oog te verliezen. De Hoge Intergeallieerde Commissie oefende controle uit op alle Geallieerde en locale besturen, op politiek, militair en economisch gebied. 

In de praktijk, wordt de rechteroever in vier bezettingszones verdeeld : 21 Franse divisies bezetten de zone tussen Landau en Bingen (hoofdplaats : Mainz); de British army on the Rhine bezet de zone tussen Bonn en Düsseldorf (hoofdplaats: Keulen); de American Forces in Germany de zone tussen Bingen en Bonn (hoofdplaats Koblenz) en 5 Belgische divisies de zone tussen Düsseldorf en de Nederlandse grens (hoofdplaats Aken en Krefeld).

Vanaf 26 november 1918 , trekken de eerste Geallieerde troepen de grens met Duitsland over. In het begin waren de Geallieerden op hun hoede. De Britten stuurden verkenningseenheden naar Keulen om zich te vergewissen dat alles veilig was. Op 6 december 1918 geven de Britten een troepenschouwing met ruiterij, infanterie, geschut en pantserwagens. De Geallieerde soldaten kregen het verbod met de Duitse bevolking (de "Moffen") te verbroederen. De Duitse bevolking kreeg de raad de nederlaag en de bezetting te aanvaarden en geen weerstand te bieden en haar onverschilligheid te tonen. Vele Duitsers waren verheugd door de komst van de Geallieerde troepen, van wie zij hoopten dat zij de orde opnieuw zouden herstellen. De middenklasse was bang voor de Bolsjewieken en hun bloedige revolutie. Er ontstond een vriendschappelijke relatie tussen de Amerikanen en de Britten enerzijds en de Duitse bevolking anderzijds. De tegenwoordigheid van deze soldaten was zeer op prijs gesteld. De handel kwam heel snel terug op gang in deze twee bezettingsgebieden. Aangezien de Britse blokkade nog gedurende enkele jaren ging duren, gaven de Britse soldaten voedselrantsoenen aan de hongerlijdende bevolking. De Belgen en de Fransen waren niet goed gezien, de Fransen werden zelfs gehaat, door hun brutale houding jegens de Duitse bevolking die voor hen nog steeds de "Boches" waren en als oorlogsmisdadigers moesten beschouwd worden.

Volgens het Vredesverdrag van Versailles, moesten de Geallieerde troepen gedurende 5 à 15 jaar het Rijnland bezetten. De duur hing af van gebied tot gebied af. De American Forces in Germany zijn slechts tot in 1923 gebleven en werden toen door Franse legereenheden vervangen, terwijl de Britten, Fransen en Belgen tot in 1929 gebleven zijn. De laatste Franse legereenheid heeft het Duitsland eind juni 1930 verlaten.

Op 18 november 1918 wordt de Legergroep Vlaanderen ontbonden. Maar de soldaten gaan niet onmiddellijk huiswaarts. Al is België bevrijd van het Duitse juk, een wapenstilstand betekent niet vrede, maar een staakt het vuren. De vrede zal pas na het Verdrag van Versailles op 28 juni 1919 in voege treden. De staat van beleg is nog steeds van kracht in België, dit verklaart waarom het Belgisch leger nog steeds op voet van oorlog is. Op 30 november 1918 is het Belgisch en Luxemburgs grondgebied van de Duitsers definitief bevrijd. Alle Duitse soldaten die op het Belgisch grondgebied vertoefden zijn in gevangenschap of zijn naar hun "Vaterland" teruggekeerd. 

De wapenstilstandsovereenkomst wordt in het begin maandelijks verlengd en later voor een onbepaalde duur. Geallieerde troepen blijven in België en ieder leger krijgt een wel bepaalde zone toebedeeld. Als voorbeeld : eenheden van de Australische ruiterij hebben hun tenten opgeslagen in de Belgische Ardennen. Andere soldaten hebben meer geluk en logeren bij burgers.

Franse eenheden op weg naar Duitsland stoppen even in Brussel, 1919.

Voor de gewelddadige evenementen van 17 en 18 november 1918, maakte men al gewag van een explosie in het spoorwegstation van Asse. Het Brussels Stadsbestuur heeft een agent ter plaatse gestuurd om te gaan kijken. Op 13 november 1918, heeft Einstein, lid van de Soldatenraad, waarnemend burgemeester Steens verwittigd dat hij vanaf 14 november de controle over de Brusselse stations terug aan de gemeentelijke overheden gaf. De Duitsers verlieten de stations, de sporen en de treinen die er geparkeerd stonden. Als er iets gebeurd dan moeten de gemeentebesturen er voor opdraaien. Ondertussen waren Duitse soldaten bezig de goederenwagons leeg te maken en de inboedel te verkopen aan arme lieden. Onder de inboedel bevonden zich wapens, die de Duitsers volgens de voorwaarden van de Wapenstilstand aan de Belgische overheden hadden moeten overhandigen. Waarnemend burgemeester van Brussel laat er geen gras over groeien en beveelt zijn collega van Sint-Gillis zo vlug mogelijk politieversterking te sturen naar het Zuidstation om het te beschermen en te bewaken. Turn en Taxis wordt door gewapende bendes geteisterd, de politie voelt zich onmachtig. In Koekelberg lopen tieners met wapens rond. De toestand is kritiek en dreigt uit de hand te lopen.  Alle stations van de Brusselse agglomeratie zijn bedreigd : Turn en Taxis, Brussel-West, Brussel-Zuid, Schaarbeek, Vorst, Jette, Luxemburg, Groendreef, Watermaal-Bosvoorde en Etterbeek. Op 16 november worden er reeds incidenten gesignaleerd in het Zuidstation en in het rangeerstation van Schaarbeek-Haren. Ondanks de politieversperringen komen er meer en meer arme mensen naar de stationsemplacementen om goederen te stelen. 

Kort na de officiële afkondiging van de bevrijding van Brussel op 17 november 1918 wordt een hevige explosie gehoord en gevoeld. In het Zuidstation waren twee munitietreinen tegelijkertijd ontploft. Chaos alom : doden en gewonden liggen op de grond te midden van brandende wagons; aanpalende huizen zijn vernield of zwaar gehavend. De brandweer van Sint-Gillis is snel trer plaatse, maar kan niet veel doen wegens de hevige branden. Enkele Amerikaanse officieren zouden een handje toegestoken hebben. Men hoort nog ontploffingen tot  8u00 s'avonds. In het Noordstation is er minder materiële schade.  De politie is nog steeds ter plaatse bij Turn en Taxis. s'Nachts zijn rode glooiingen te zien boven Brussel. Toen was de politie ervan overtuigd dat de Duitsers met opzet de munitiewagons tot ontploffing hebben gebracht. De plunderaars warenc er zich niet van bewust dat zij in levensgevaar verkeerden. Zij bleven ter plekke en wanneer de wagons ontploften verloren velen onder hen  het leven. In het Zuidstation en op emplacement van Schaaerbeek-Haren telde men 15 doden (5 vrouwen, 9 mannen en  een onherkenbaar persoon) en 36 gewonden in hospitalen door dokters verzorgd (11 vrouwen en 25 mannen). De schade aan gebouwen, rails, signalen, locomotieven en wagons was enorm. Ongeveer 2.300 huizen werden beschadigd... Elders in de stad werden explosieven gevonden : Justitiepaleis, Park van Brussel en andere gebouwen eerder door de Duitsers gebruikt. Gelukkig werden al deze bommen tijdig onschadelijk gemaakt.

Wie waren de schuldigen? Volgens de Belgische en de Brusselse overheden van die tijd en tal van "getuigen" waren de terugtrekkende Duitsers de geschikte boosdoeners. Sommige getuigen spreken van Italiaanse krijgsgevangenen pf van plunderaars. Volgens recente studies zijn er geen bewijzen dat de Duitsers de schuldigen zijn. Het gaat hier dus om brute pech en om onwetendheid en dwaasheid van de burgerbevolking 

Na de bevrijding van Belgische politieke gevangenen door von der Lancken en het officieel bericht van de Wapenstilstand, hoopten de Brusselaars dat zij heel vlug hun sympathieke burgemeester zouden terug zien. De Brusselaars werden zenuwachtig en bang toen zij hem niet zagen terugkeren. De krant Le Bruxellois heeft beweerd dat Adolphe Max door de Soldatenraad was bevrijd en dat hij een boodschap per auto naar het kasteel van Goslar waar hij gevangen gehouden was. Maar men moet toch nuanceren. De krant La Dernière Heure van 18 november 1918 vertelt in het lang en in het kort de bevrijding en de terugkeer van de Brusselse burgemeester:

Op 13 november 1918, om 3 u., wordt  schepen Jacqmain  door een Duits soldaat verwittigd dat hij , vergezeld door luitenant Weber, gewezen secretaris van de Kreischef, lid van de Soldatenraad , per auto naar Aken kon gaan om de burgemeester af te halen. [Op 8 november 1918 hadden de revolutionairen de gevangenis van Goslar ingenomen en op de 13de was Adolphe Max uit de gevangenis ontsnapt met een vals paspoort]. Samen met de broer van de burgemeester zijn zij naar Aken gereden. Ondertussen was Adolphe Max ontsnapt en in een boerentrein gestapt om zo de spoorlijn naar Keulen te bereiken. Ondertussen wachtten de Brusselse stadsbeambten, zij hebben een telegram gestuurd naar alle stations op de lijn naar Keulen. Een stationchef heeft hem herkent en heeft hem verwittigd dat hij naar Aken moest gaan. In Aken zijn zij allen in de  auto gestapt en naar Brussel gereden. In Tienen werrd hij herkend en door de bevolking toegejuicht.  Hij is pas op 17 november 1918 in Brussel toegekomen. Voor zijn intrede in het Stadhuis heeft hij in Gent met de Koning gesproken.

Hij werd als een held door het stadsbestuur , door de aanwezige Geallieerde officieren en door de Brusselse bevolking onthaald.

Dezelfde dag heeft  schepen Lemonnier de officiële bevrijding van Brussel afgekondigd. Alles wat de Duitsers hadden achter gelaten werd vernietigd. Het Belgisch uur werd opnieuw van kracht.

 

Gedurende meerdere dagen hebben de Duitse soldaten wapens, uniformen, knopen, splinter nieuwe helmen, laarzen van zeer goede kwaliteit, koperen voorwerpen, fietsen, e.d.m. Sommigen onder hen wilden gestolen voorwerpen doorsluizen, maar het merendeel wou geld hebben om te kunnen eten en om als enigszins nog kon een trein ticket kopen om terug te keren naar de Heimat. De soldaten waren achtergelaten. De hogere Duitse instanties waren reeds vertrokken uit Brussel : de gouverneur-generaal, de Soldatenraad was op 15 november naar Luik vertrokken. De meeste Duitse soldaten wilden zo vlug mogelijk uit Brussel, uit België weg, om niet in de handen van de Geallieerden te vallen en krijgsgevangen te worden.

Vele Brusselaars hadden gehoopt een Te Deum, of althans een mis ter gelegenheid van het feest van de Dynastie bij te wonen., maar men heeft beslist te wachten tot de terugkomst in Brussel van de Koning aan het hoofd van zijn troepen. De meeste Brusselaars waren teleurgesteld, maar zij hadden er begrip voor.

De zelfde dag werden Britse officieren van het 5de leger van het Iste Legerkorps op het Brussels Stadehuis verwelkomd. Na de gebruikelijke felicitaties voor de Britse overwinniçng, vroeg waarnemend Burgemeester Lemonnier dat zij haast moesten maken om de Brusselse bevolking te beschermen tegen de handelingen van de aanwezige Duitse soldaten.

Op dezelfde dag, heeft waarnemend Burgemeester zijn ambtgenoten van de andere Brusselse randgemeenten meegedeeld dat hij een arrest genomen heeft tegen de twee grote kranten die onder de Duitse bezetting werden uitgegeven (Le Bruxellois en La Belgique). De persmachines werden in beslag genomen. De redacteurs en uitgevers werden in 1919 vervolgd.