Het gaat hier om een nutteloze nieuwigheid, aangezien niemand meer gehaast is en nog geld op zak heeft, tenzij... oorlogswoekeraars. Volgens de joernalist van de "Événement illustré 1917" is het een fenomeen van tijdelijke aard, een curiosum.


Op 21 juli 1917, waren er minder schermutselingen met de Duitse bezetter dan in 1916, want de meeste burgers verkozen kalm te blijven om de gemeente te vrijwaren van een zware boete. De winkels bleven open zoals gewoonlijk, maar slechts weinig klanten kwamen er hun boodschappen doen.

De Brusselaars die in de Nieuwstraat, door drie Duiitse soldaten bewaakt, wandelden, deden hun hoed af op de hoek van de Nieuwstraat en de St-Michielstraat, ter hoogte van het Monument van de Helden van 1830. Toen de Duitse Polizei door had wat er gaande was, werden Brusselaars op willekeurige basis opgepakt voor verhoor. Zo werden studenten van de school voor Kunsten en Ambachten uit de Duitslandstraat gearresteerd.

Op de Nationale Feestdag van 1917 kwamen Vlaamse Activisten voor het kathedraal betogen. Door August Borms opgehitst , eisten zij de vervanging van Mgr Mercier (Vlaamsonkundig) door een Vlaamse Aartsbisschop in Mechelen. De Brusselse politie kwam snel ter plaatse en nam drie herrieschoppers op voor verhoor. Nadien werden zij door de Duitse politie "bevrijd".

Bron : GILLE (Louis), OOMS (Alphonse) et DELANDSHEERE (Paul), Cinquante mois d'occupation allemande, III. 1917, Bruxelles, 1919, p. 346.

Baron Moritz von Bissing werd op 30 januari 1844 te Ober Bellmannsdorf (Silesië) geboren. In 1865 vervoegt hij het Pruisische leger en in 1897 wordt hij tot General der Kavallerie gepromoveerd. Van 1901 tot 1907 voert hij het commando over het VII Legerkorps te Münster. Hij neemt zijn ontslag in 1908 en begint een sportieve carrière. In augustus 1914, wordt hij teruggeroepen om het VII Legerkorps te leiden, tot in november 1914.

Na de Eerste slag aan de Ijzer wordt hij op 24 november 1914 benoemd tot Gouverneur - generaal voor België. Door zijn star beleid heeft hij vele Belgische burgers zich in het harnas gejaagd. Hij heeft de doodsvonnis van Edith Cavell getekend. Hij heeft eveneens de arrestatie en de deportatie van de Brusselse schepen voor Openbaar Onderwijs Emile Jacqmain bevolen. Hij heeft de Flamenpolitik van zijn regering ondersteund door de Vlaamse Univerisiteit van Gent (von Bissing universiteit) te openen en de bestuurlijke verdeling van België vanaf 21 maart 1917 in gang te zetten.

Hij overlijdt op 18 april 1917, op het Domein Drie Fonteinen (Vilvoorde), waar hij meestal verbleef. Zijn stoffelijk overschot werd in het Brussels Muziekconservatorium tentoongesteld tot zijn overdracht naar Berlijn, waar hij op het Invalidenfriedhof begraven werd. Zijn graf is inmiddels geruimd.

De verordening van de Duitse Gouverneur generaal van 13 december 1916 verwittigt dat vanaf 22 februari 1917 alle non-ferro huishoudvoorwerpen, zoals koper, tin, en nickel zouden opgeëist worden. In een eerste fase mochten de vrijwillige burgers hun koperen voorwerpen naar een verzamelplaats, o.a. station Luxemburg en het Brouwershuis (op de Grote Markt) brengen. In een tweede fase (op 6 maart), werden de Brusselaars door de Belgische lokale politie opgeroepen hun koperen voorwerpen naar verplichte verzamelplaatsen te vervoeren. In het begin, waren de voorwerpen met een artistieke of historische waarde vrijgesteld. Later werden de huizen van de "fraudeurs" doorzocht.

De winter 1916-1917, en meer precies de maanden januari en februari 1917, waren uitzonderlijk koud. Die winter was hard omdat de Brusselaars leden onder een gebrek aan steenkool, als gevolg van de Duitse opeisingen. Vrouwen met kinderen, ouderen zonder geld werden doodgevroren aangetroffen in hun woning. Op 14 februari 1917 meldde het Duitse bestuur per post dat hij geen steenkool meer zou leveren aan de schoolinstellingen van Groot Brussel en dat de scholen die geen voorraad steenkool meer hadden hun deuren moesten sluiten.  Ondanks het feit dat de Stad Brussel een voorraad steenkool had opgeslagen om de scholen en de arme Brusselaars bij te staan, werd zij verplicht al haar scholen te sluiten : geen uitzondering! De leerkrachten en de leerlingen gaan in het verzet en vergaderen in garages, werkruimten, private woningen, enz. om op die manier aan de Polizei te ontkomen. Maar sommigen, die door verklikkers waren verraden, werden door de Duitse politie opgepakt en opgesloten. De vrije scholen uit het Brussels gewest ondergingen dezelfde "pesterijen".

Medio april 1917, mochtren de scholen heropenen, maar aangezien de schoollokalen niet mochten verwarmd worden, gingen zij heel snel weer dicht.

Om energie te besparen, moesten de winkels één uur vroeger sluiten dan gewoonlijk (17u00 in plaats van 18u00) en de uitstalramen mochten niet verlicht worden.

Ondanks het verbod op het vieren van het Koningsfeest op 15 november, hebben Brusselse patriotten Duitsers uitgescholden na de Mis. Als vergelding, heeft Luitenant generaal von Hurt, gouverneur van Brussel en van Brabant, de avondklok ingesteld voor alle Brusselaars (agglomeratie inbegrepen) tussen 20u30 en 04u00 s'morgens. De straf gaat in vanaf 21 november voor een onbepaalde tijd. Daarbij moeten alle openbare horecabedrijven, winkels, enz. om 20u00 sluiten.

In de praktijk, was er vanaf 19u30 niemand meer op straat. Iedereen trachtte voor 19u30 per tram naar huis te keren. Enkele trams reden nog. De stads sfeer was luguber. Voor enkele theaters was de maatregel de doodsteek, zoals voor de Théâtre des Galeries die onlangs weer openging. Anderen nog veranderden hun programma's; de voorstellingen hadden in de voormiddag plaats, op woensdag, donderdag en zondag.

Uiteindelijk wordt op 18 december de avondklok opgeheven, maar er was geen reden tot juichen. Baron von Bissing, generaal gouverneur voor België besliste wegens een gebrek aan grondstoffen de verlichting in de winkels te verbieden en dus de winkels te sluiten om 19u00. Enkel de apotheken, de winkels waar voeding, tabak, sigaren en sigaretten werden verkocht mochten open blijven. De horecazaken, de schouwburgen en de bioscopen moesten om 22u00 sluiten. De meeste Brusselaars hadden geen zin meer om te lachen.