Brussel : tijdelijke monumenten op 22 november 1918 geplaatst

Na de officiële verkondiging van de bevrijding van Brussel en het definitieve vertrek van de laatste Duitse soldaat, vindt de Blijde Intrede van de Koning in zijn hoofdstad op 22 november 1918 plaats. De Stad Brussel maakt zich op om haar Koning-Soldaat te verwelkomen.

Reeds op 18 november, stemt de Stad Brussel een indrukwekkend krediet van 500.000 franken toe. Tachtig masten van 15 meter hoog dragen de kleuren van België en van de Geallieerde landen. Zij worden op verschillende pleinen in de stad geplaatst : op de Grote Markt, op het Poelaertplein, op het Paleizenplein en op het de Brouckèreplein.

Naast deze hoge masten, worden er in der haast eveneens monumenten in plaaster gemaakt als teken van patriottisme en van dankbaarheid jegens de Geallieerde landen en op Brusselse pleinen geplaatst.  Eén enkel monument op de acht wordt in 1930 ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van België in brons gegoten. Het gaat om de Brabançonne, van beeldhouwer Charles Samuel, die eerst op de Grote Markt stond en thans op het Surlet de Chokierplein. De andere zeven hadden nochtans het volk getroffen door hun majestueus en patriottisch karakter. We hebben eerst de Ange de la Paix  (Vredesengel) ter ere van de Verenigde Staten, door beeldhouwer Léandre Grandmoulin; infirmière Edith Cavell, (verpleegster Edith Cavell) ter ere van Groot-Brittannië door Jacques Marin; la petite Belgique repoussant une gigantesque vague allemande (het kleine België duwt de grote Duitse golf weg) van markies de Poully; le Roi Albert, (Koning Albert) draagt een kroon met laurier en gekleed zoals in de Romeinse Oudheid, van Jules Lagae; les soldats morts pour la Patrie (Soldaten gesneuveld voor het Vaderland) van Louis Mascré, beeldt met kracht de innerlijke pijn en de rouw uit; les Héros belges (de Belgische Helden) van Philippe Wolfers, toont het Vaderland vol erkentelijkheid onder de vorm van twee naakte vrouwen, Vlaanderen en Wallonië, verenigd in één en hetzelfde gebaar (gebaar van offerande en van erkentelijkheid) en ten slotte Nos Blessés (Onze gewonden) van Joseph François van Hamme.

Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat deze voorlopige monumenten hoofdzakelijk militaire helden verheerlijken en niet de heldendaden of de martelaarsdood van de gewone burger. Dit is misschien te wijten aan het feit dat de tijdelijke monumenten gemaakt zijn door kunstenaars die in bezet België geleefd hebben en de Koning en zijn leger willen verwelkomen. In 1919, zullen de civiele martelaren herdacht worden onder de vorm van een grootse posthume begrafenisplechtigheid en door min of meer indrukwekkende monumenten, die voor de eeuwigheid bestemd zijn.