Jean De Mot, schrijver soldaat uit Brussel (1876-1918)

Jean De Mot (°1876 - + 1918)

Geboren te Brussel op 26 augustus 1876, Jean De Mot is de zoon van de Brusselse burgemeester, Émile De Mot, en kleinzoon van de stichter van de St-Hubertusgalerijen. Na zijn studies aan de ULB en aan de Universiteit van Bonn, na zijn doctoraat aan de ULB in de Klassieke filologie, wordt hij aan de Koninklijke Musea van het Jubelpark en aan de Franse School van Athene benoemd. In de hoedanigheid van conservator, maakt hij zich bekend door een actief aanwinstbeleid et een vruchtbare wetenschappelijke productie. Als secretaris van de Société royale des Beaux-Arts, organiseert hij verscheidene tentoonstellingen te Brussel.

Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914, vervoegt hij het leger als oorlogsvrijwilliger. Hij wordt tot luitenant observateur bevorderd in het luchtballonkorps, hij observeert de vijand, zijn troepenbewegingen en zijn geschut, vanuit een luchtballon. Hij sneuvelt op 15 oktober 1918 te Passendale, tijdens één van de laatste gevechten met de Duitsers, enkele weken voor de Wapenstilstand. Een herdenkingsplaat is in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te bezichtigen.

Jean De Mot is de auteur van een reeks wetenschappelijke publicaties, maar hij is eveneens een soldaat schrijver, die het drama van het Front waar hij later ging sterven, vereeuwigd heeft.

Hierna volgt een uittreksel uit zijn tekst Lampernisse, reeds in 1915 in een speciale uitgave van het Franse tijdschrift « L’Art et les artistes : revue mensuelle d’art ancien et moderne », aan het gekneusde België gewijd, gepubliceerd. Deze grote intellectueel heeft in een ontroerende en dichterlijke stijl, de verwoesting en de verlatenheid van de Ijzer vlakte beschreven.

À un coude de la route, dont les grands arbres sont courbés par le vent de la mer, la tour de Lampernisse apparaît ramassée et farouche. On dirait une sentinelle avancée à l’entrée du champ de bataille. Par delà, c’est la plaine infinie de l’Yser avec des tas de décombres, d’où émerge parfois la silhouette déchiquetée d’un clocher. Jadis ce furent des villes et des villages, Nieuport et Dixmude, Pervyse, Ramscapelle, Oostkerke – noms inconnus hier, illustres aujourd’hui. Les toits rouges et les murs blancs des fermes tranchent sur le vert émeraude des prairies. Les rangées d’arbres, décimées et appauvries, conduisent les routes vers le pays occupé. Le miroir des inondations brille au loin, bleu ou gris, selon les aspects changeants du ciel immense. Constamment, les fumées blanches ou noires des obus picotent le paysage de taches mouvantes. Le canon gronde, assourdi ou proche. Et cependant, dans les pâturages humides, les vaches, paisiblement, ruminent.

Devant son église éventrée, au milieu du cimetière dévasté, parmi les pauvres maisons ruinées du hameau, la tour de Lampernisse évoque l’image de la Niobé, debout encore et menaçante parmi les cadavres de ses enfants. Seule elle est restée, presque intacte, à peine écornée par la mitraille qui fait perpétuellement rage autour d’elle.

Elle est représentative du type de ces vieilles tours en briques de la région maritime, flanquée de contreforts massifs, accostée de la tourelle d’un escalier en pas-de-vis, percée de hautes fenêtres en ogive et couronnée d’un clocher d’ardoises, entre de minuscules poivrières. C’est l’impression rustique de cette altière architecture dont les Halles d’Ypres étaient, naguère, le plus admirable spécimen, et qui rappelle, dans les constructions civiles et religieuses, le caractère guerrier de la grande époque communale.